La bohème

Deze Franse chanson van Jacques Plante (1920 – +2003) is in 1965 voor het eerst vertolkt door Charles Aznavour (1924 – + 2018). De zanger duikt direct met je terug in de tijd die de generatie van 20 jaar en jonger niet heeft meegemaakt. Er is vanaf het begin onherroepelijk een hang naar nostalgie, zeg maar gerust eeuwige jeugd (“on était jeunes, on était fous”).

Oorspronkelijk verwijst “La bohème” naar Balzac die in 1844 het heeft over een gemeenschap die niks heeft en leeft van wat zij bezit. Hoop doet leven. “(Nous étions quelques-uns, qui attendions la gloire”).De enclave van la bohème die haar hoogtepunt bereikt aan het begin van de 20e eeuw bevindt zich in Montmartre. Het is een kunstenaarsoord waar intelligentsia en artiesten zich moeten behelpen met wat ze hebben. De één verruilt dichtregels tegen eten, de ander poseert naakt.

Als de zanger tegen het einde van het lied terugkeert op vertrouwd terrein, levert Montmartre echter  een trieste aanblik op (“Montmartre semble triste”) met seringen die er verwelkt bij hangen (‘les lilas sont morts’).  In de laatste strofe zingt Aznavour dat de verteller, die inmiddels op leeftijd is,  Montmartre niet meer terug herkent. Of dit komt doordat hij de tijdgeest niet meer goed aanvoelt of omdat de kunstenaarskolonie haar ziel heeft verloren en is overgeleverd aan het toerisme blijft vooralsnog onduidelijk… 

Ik luister hier het liefst met mijn stille liefde naar. Al is er een generatiekloof tussen ons, onze liefde is minstens zo sterk als de liefde die Aznavour bezingt van de jonge kunstenaars onder elkaar.